PwC: Tax Freedom Day valt dit jaar op 10 juni

View this page in: Français

Notionele intrestaftrek bewijst zijn waarde als welvaartsgenerator

Tax Freedom Day (TFD) is de symbolische dag waarop de gemiddelde Belgische belastingplichtige stopt met het betalen van belastingen en voor eigen rekening gaat werken, in de veronderstelling dat hij/zij al wat hij/zij tot dan toe verdiende als belasting zou hebben afgedragen. Dit jaar valt TFD op vrijdag 10 juni, min of meer gelijk dus met de datum van vorig jaar (8juni). Een duidelijke indicatie dat de belastingdruk in België erg hoog blijft. De PwC-studie, die ook dit jaar werd uitgevoerd in samenwerking met Wim Moesen, Professor Emeritus aan de faculteit Economie en Bedrijfskunde van de KU Leuven, maakt bovendien duidelijk dat economische groei een absolute must is, wil ons land het hoofd bieden aan de enorme budgettaire uitdagingen waar het voor staat. Het aantrekken van buitenlandse investeerders blijft de belangrijkste factor om de broodnodige groei te verwezenlijken. Een stabiel fiscaal regime en fiscale incentives, zoals de notionele intrestaftrek, spelen daarbij een cruciale rol. Vooral deze laatste maatregel, die al geruime tijd zwaar onder vuur ligt, blijkt één van de motoren van de Belgische economie en heeft de voorbije jaren de nodige welvaart en groei gecreëerd.

Download het volledige rapport


Tax Freedom Day: België in top 3 zwaarst belaste landen van EU

Voor de berekening van TFD wordt het totaal aan belastingen betaalde bedrag (gebaseerd op de gegevens van het Federaal Planbureau), inclusief sociale bijdragen, gedeeld door het Bruto Binnenlands Product. Voor 2011 komt dit neer op 43.8%. Als men dit percentage projecteert op een jaar (te beginnen vanaf 1 januari), valt TFD dit jaar dus op 10 juni. Met die 43.8% blijft België één van de zwaarst belaste landen in de wereld. Binnen de Europese unie staat België zelfs op de derde plaats, net achter Denemarken en Zweden.

Het is overigens al het zesde jaar op rij dat PwC deze berekening maakt. De voorbije 2 jaar viel TFD telkens op 8 juni, maar nu is het dus, net zoals de eerste drie jaren, opnieuw 10 juni. België wordt misschien internationaal niet meteen beschouwd als het meest stabiele land, niets blijkt minder waar als het op belastingdruk aankomt.


Notionele intrestaftrek: het kind met het badwater…

‘Stabiliteit’, en meer bepaald de stabiliteit van het fiscaal kader, is samen met ‘groei’ één van de sleutelbegrippen in de studie van dit jaar. “Zonder deze twee factoren is het moeilijk om de welvaart in ons land op peil te houden”, zegt Frank Dierckx, Managing Partner, PwC Tax Consultants in België. “We hebben economische groei nodig om onze schuld af te bouwen, maar om groei te genereren is het noodzakelijk om buitenlandse bedrijven aan te trekken. Niets werkt zo belemmerend op hun vestigingskeuze als de onzekerheid over het fiscaal regime. Het feit dat de crisis geen negatieve impact heeft gehad op de globale belastingdruk toont overigens dat de maatregelen die werden genomen om onze economie aan te zwengelen, zoals de notionele intrestaftrek, niet nadelig zijn voor het nationale budget.”

Nochtans is de notionele intrestaftrek de laatste jaren een bron van kritiek. Sommige critici hebben het concept aangevallen omdat het een gat in de begroting zou slaan. Er wordt zelfs gewag gemaakt van een kost van €5.8 miljard. “Maar niets is minder waar”, verduidelijkt Frank Dierckx. “Getuige daarvan het feit dat de opbrengsten uit de vennootschapsbelasting niet verminderd zijn. Je kunt de notionele intrestaftrek best vergelijken met een kortingsbon in een supermarkt, waarbij België de supermarkt is. Als je hem niet gebruikt is hij waardeloos. Gebruik je hem wel, dan betaal je eerst de volle pot voor het product, waarop je overigens belastingen betaalt, en wordt de korting in mindering gebracht. Maar door die kortingsbon kopen waarschijnlijk meer consumenten het bewuste product –iets dat ze zonder die kortingsbon misschien niet zouden doen- waardoor de inkomsten van de supermarkt stijgen.” Volgens Dierckx is die zogezegde ‘kost’ bovendien niet te vergelijken met de potentiële kost van een significante verlaging van het percentage van de vennootschapsbelasting: dat zou namelijk wel een belangrijke inkomstenvermindering zijn die op de een of andere manier moet worden gefinancierd.

Uit de studie blijkt tevens dat de notionele intrestaftrek een meer dan gunstige invloed heeft gehad op de Belgische economie. Zo heeft hij er voor gezorgd dat heel wat van de vroegere coördinatiecentra in België gebleven zijn wat een verhoging van de vennootschapsbelastingen voor deze entiteiten heeft opgebracht en waardoor het tewerkstellingsniveau op het peil van 2005 is gebleven. Dankzij het notionele intrestaftrek-regime heeft België zijn prominente plaats die ons land in de EU bekleedt op het vlak van financiële organisaties kunnen behouden. Er zijn zelfs nieuwe coördinatiecentra bijgekomen. Bovendien heeft de maatregel de bedrijven ook geholpen om hun vermogen te vergroten, en dat is precies wat ze nodig hadden om de crisis te overleven.

“De notionele intrestaftrek heeft België weer op de kaart gezet voor potentiële buitenlandse investeerders. Het is tevens een heel eenvoudige regel, en eenvoud wordt door diezelfde investeerders als zeer positief ervaren. Maar het is ook een feit, in tegenstelling tot wat er vaak wordt beweerd, dat de notionele intrestaftrek niet alleen gunstig is voor grote bedrijven maar ook voor KMO’s. Gezien de positieve impact van de maatregel kan ik enkel aanraden om niet te lichtzinnig om te springen met de notionele intrestaftrek. Het intrekken of wijzigen van de maatregel zou wel eens kunnen zorgen voor een ware exodus van investeerders van België naar onze traditionele concurrenten, zoals Nederland, Luxemburg, Zwitserland of Ierland”, aldus Dierckx.

Hoewel het moeilijk is om een directe link te leggen tussen de notionele intrestaftrek en tewerkstelling, heeft België bijzonder goed kunnen weerstaan aan de golf van ontslagen die tijdens de crisis wereldwijd heeft gewoed. Maar de notionele intrestaftrek heeft hier zeker toe bijgedragen, gezien kapitaalintensieve ondernemingen de beste perspectieven bieden op toekomstige tewerkstelling. Dat blijkt ook duidelijk uit het aantal gecreëerde banen in 2010 en de desbetreffende gunstige voorspellingen voor de volgende 5 jaar.


Realiteit ≠ perceptie

Net zoals vorig jaar heeft econoom Wim Moesen, Professor Emeritus aan de KU Leuven, meegewerkt aan de TFD-studie 2011. Wat hem betreft is het voor België belangrijk om onder de radar van de ratingbureaus te blijven. Met een groeivoorspelling van 2.2% (volgens het Federaal Planbureau) overstijgt België het EU-gemiddelde. “Dat is een meevaller”, zegt Wim Moesen, “en objectief gezien doet België het op vlak van de staatsfinanciën vrij goed. Volgens de Fiscal Vulnerability Index die PwC vorig jaar introduceerde en die rekening houdt met 6 belangrijke indicatoren van de overheidsfinanciën staat België op de 8ste plaats van de wereldranglijst. Bovenaan vinden we de usual suspects zoals Griekenland, Portugal en Ierland, maar ons land staat achter Japan, de VS en Frankrijk, landen die toch niet geviseerd worden door de ratingbureaus.”

Objectief gezien is er dus geen reden waarom België in het vizier zou lopen, maar werkelijkheid en perceptie zijn nu eenmaal niet hetzelfde. “Het feit dat we geen regering hebben en er evenmin een staatshervorming is speelt daarbij zeker een rol. Bovendien is België een klein land en dus ook een gemakkelijker doelwit voor internationale speculanten. Maar we moeten er wel voor zorgen absoluut niet opnieuw in het vizier van de ratingbureaus te komen. Want dat betekent op termijn zware belastingverhogingen en snijden in de uitgaven en dat zou onze welvaartstaat enorm onder druk zetten”, aldus Moesen.

De EU heeft ons land opgelegd om tegen 2012 een tekort op de overheidsfinanciën te realiseren van 3% en in 2015 tot een evenwicht te komen. Volgens Moesen is dit een haalbare kaart: “De geplande besparingen van €17 miljard wil niet zeggen dat de overheid plots 17 miljard minder mag uitgeven. Men moet de besparing zien als een beheersing van de stijging van de uitgaven. Volgens het Federaal Planbureau zullen de overheidsuitgaven bij ongewijzigd beleid de komende jaren met 4% per jaar toenemen. Maar als we de uitgaven indexeren dan geraken we er wel. Het is alleen zaak om die uitgaven die sneller stijgen dan de index, zoals gezondheidszorg en pensioenen, onder controle te houden. Het is daarom van essentieel belang een norm op te leggen voor het geheel van de overheidsuitgaven, het overheidsapparaat efficiënter te maken en naar een constructieve staatshervorming te gaan.”